Torens en hun uurwerk

De eerste torenuurwerken

De stand van de zon, hun gevoel en de toren- of stadswachters die op de hoorn bliezen of de bel of klok sloegen en daarvoor ook de zonnestand als maatstaf namen: dat waren voor mensen in de vroege middeleeuwen middelen om te weten hoe laat het was.

 

In de 13de eeuw verschijnen de eerste mechanische torenuurwerken. Men was op zoek gegaan naar een systeem om de bellen of klokken in de torens automatisch en met steeds dezelfde intervallen te laten slaan, zonder dat er een menselijk optreden voor nodig was. Op die manier zouden burgers voortaan het correcte uur kennen.

 

Vanaf toen werd er hard gesleuteld aan verfijningen van de diverse mechanismen. Steden namen die verbeteringen van elkaar over en probeerden voor hun toren of belfort het grootste, mooiste en vernuftigste systeem te ontwikkelen. Torenuurwerken werden dan ook voortdurend aangepast.

 

Het mechanisme

Een uurwerk of, meer in het algemeen, een mechanisme dat de tijd aangeeft, heeft drie of vier belangrijke onderdelen:

  • een aandrijfgewichteen frequentieregeling
  • een systeem waarbij de hamer op een klok valt
  • later kwam daar ook de wijzerplaat bij.

 

De uitdaging voor de eerste uurwerken bestond erin dat er correcte berekeningen moesten worden gemaakt voor het aandrijven van de tanden en wielen. Die moesten er samen met de frequentieregeling voor zorgen dat één wiel in een uur een volledige omwenteling maakte. Toen dat lukte, had men iets om op verder te bouwen. Er kon dan een nok gezet worden die op zijn weg de hamer omhoogtrok en op de klok liet vallen, en die dat om het uur herhaalde.

 

In de primitieve systemen uit de beginperiode hoorde je op elk uur één slag op een klok. Later werd dat uitgebreid naar het aantal slagen van het uur zelf: drie slagen om 3 uur, vier slagen om 4 uur enz. Nog later werd het systeem verfijnd en kwamen het halfuur en de kwartieren erbij.

 

De plaats van de uurwerken in de torens

De torenuurwerken werden centraal in de toren en hoog genoeg geplaatst. Hierdoor kon men de verbindingen met de klok(ken) zo kort mogelijk houden. De ruimtes eronder waren bruikbaar om het gewicht diep te kunnen laten zakken. Hoe dieper, hoe minder vaak het opgehaald moest worden. Toch moest dat hier en daar twee tot drie keer per dag gebeuren, net als het juist zetten van het uurwerk.

 

De eerste mechanismen weken per twaalf uur twintig tot dertig minuten af. Stilaan zien we dat men bij de bouw van kerktorens rekening begon te houden met de plaatsing van het mechanische uurwerk.

 

Types

Er zijn in de loop van de eeuwen verschillende types van mechanische torenuurwerken gecreëerd wat hun hoor- en zichtbaarheid betreft:

  • uurwerken met alleen een drijfwerk voor een wijzerplaat
  • uurwerken met slagwerk op het uur (en op het halfuur, en soms ook op het kwartier)
  • uurwerken met een mechanisme dat een jaquemart aandrijft, een figuurtje dat aan de buitenkant van de toren op een klok slaat
  • uurwerken die op de gewenste tijdstippen een speeltrommel kunnen starten.

 

Zo zijn er ook uurwerken met een automatisch angelusmechanisme, een systeem om de gebedstijden kenbaar te maken. Meestal gebeurt dat door drie slagen op een kleine klok (het angelusklokje), om acht, twaalf en achttien uur.

 

De eerste types zijn hoofdzakelijk gemaakt van smeedijzer, later werd dat brons en gietijzer, en voor de assen staal.

foto's worden geladen...